Auteur: Jasmien O
Ik was mijzelf niet meer…
dat ogenblik. Toen ik je zoende
waren woorden al lang overbodig,
en jij bood je mond.
Het was groots
hoe jij je lichaam toen
dun tegen me aan drukte
(woorden blijven ver onder
de maat van deze tederheid).
Ik was een tijd mijn naam vergeten
en schrok toen ik hem later
hoorde uit je mond.
Het was alsof
ik met een schok
mezelf weervond.
Nu ik dit ogenblik oproep in woorden
besef ik pas:
Alleen dit is onzegbaar.
– Stefaanvan den Bremt
Op de punt van een pier
Maar ze wilde zo graag dus ik kuste haar,
de zee kloste reeds op haar enkels kant,
het soort waarvan vitrage wordt gemaakt.
Ze liet zich zakken in het water,
luchtkralen snoerden zich aaneen.
En ook de zon dook onder.
Ik bleef nog heel lang op de pier,
mijn rug jeukte, ik dacht
nu komen vast mijn vleugels door.
op het Eilandfestival te Antwerpen. Een straffe madam met een groot hart voor taal.

Kijk niet
te vaak
achterom
Wat achter ons
ligt werd
te licht
soms te zwaar
gewogen,
is in en
buiten ons om
voorbij gegaan.
– Hannie Rouweler
Nachtelike optocht
Ik ben niet bijzonder,
daar ben ik aan gewend.
Ik kan geen truc
die niemand kent.
In de stilte van mijn hoofd
bewaar ik geen geheimen
dat mij de moeite maakt.
Voor mij bestaat zelfs geen recept
omdat mijn vlees naar lucht en water smaakt.
Misschien moet ik maar hopen
dat een mensenhand na duizend jaar
een paar botjes van me vindt en zegt:
‘Ik weet niet wat het is geweest,
maar dit was zo te zien
een heel bijzonder beest.’
– Jaap Robben