
Dat wij niet kunnen slapen naast elkaar;
onze harten galmen om en om de noodklok.
Dat je kleine duimen hebt. Een lief gezicht.
Dat we mooi én slecht weer spelen, niet goed
weten wat we moeten als we roest en butsen
voelen bij elkaar – kwetsuren, zou jij zeggen,
en: een gedicht is ook maar een gedicht.
Het zou een vorm van vangen zijn als jij
je vangen liet, verlangen zijn als alles nog
gebeuren kon, we zijn weer eens te gretig
en te laat. Het zou ook zingen kunnen zijn,
dan waren we misschien iets minder bang.
Precies. Vandaag wil ik een zanger zijn.
Niet bang. Alleen jouw zanger zijn.
– onbekend




