
Ik kan niet zonder
je terwijl ik heel
vaak zonder je moet,
maar het krijgt me
er niet onder, je
komt altijd terug,
het komt wel goed.
– Lars van de Werf
Uit: Versjes van Lars

Ik kan niet zonder
je terwijl ik heel
vaak zonder je moet,
maar het krijgt me
er niet onder, je
komt altijd terug,
het komt wel goed.
– Lars van de Werf
Uit: Versjes van Lars

Het ergste zijn herinneringen
aan geluk. Het zoeken naar één foto
haalt je huis overhoop
zoals het zoeken naar jezelf
jezelf, zoals een glimlach
je gezicht.
Je sliep, arm om me heen,
zoals bergen een aai van de zee
in een baai leggen.
Die foto.
Zee haalt zee overhoop.
– Herman De Coninck

Eerst komt het wachten, het verheugen,
leunend tegen lage muurtjes,
dan komt het voorgevoel van
hoe-nu-verder
daarna het hoe-nu-verder
zelf
– Judith Herzberg

Always to look life in the face and to
know it for what it is. At last to know it.
To love it for what it is, and then,
to put it away. Leonard. Always the
years between us. Always the years.
Always the love. Always the hours.
– Virginia Woolf

Christianne, via dromendrinkenalsontbijt.tumblr.com

Ik dacht dat je wat zei
– jij hoort bij mij
was mooi geweest –
en buig me naar je toe,
maar hoe ik me ook
hou, in jouw geval
noem ik het horten
van je adem de ballade
van als dan: ik ken er
onderhand de stilte
van – het is haast
dodelijk hoe jij naar
woorden zoekt als je
wilt zeggen: dichterbij.
– Bart Moeyaert

Eén aantekening in zijn notitieboekje luidde, vanzelfsprekend: ‘Het is beter om te hebben liefgehad en verloren, dan om helemaal nooit te hebben liefgehad.’ Dat had er een paar jaar in gestaan; toen had hij het doorgestreept. Daarna had hij het er weer in gezet, toen weer doorgestreept. Nu had hij beide aantekeningen naast elkaar staan, de een leesbaar en waar, de ander doorgestreept en niet waar.
Quote uit ‘Het enige verhaal’ van Julian Barnes
Je trace des chemins qui n’attendent que toi
À toi l’enfant qui vient, je précède tes pas
Je murmure ton nom dans le souffle de ma voix
Je t’offrirai le monde, toi que je ne connais pas
Je t’ouvre grand mon cœur comme on ouvre ses mains
Je t’espère des bonheurs aussi grands que les miens
Demain c’est toi
J’apprends les alphabets de chacun de tes gestes
Je te chante mes rêves d’espaces et de Far West
Je veux pour toi l’amour, le rare et le précieux
Toute la beauté du monde à portée de tes yeux
Les poings chauffés à blanc, je forge pour demain
Tes bonheurs que je souhaite aussi grands que les miens
Demain c’est toi
Je te donne les clés qui ouvrent tous les coffres
Je pulvérise les murs des prisons que l’on t’offre
Je cours à l’infini pour ne pas te laisser
Tout c’que je n’t’ai pas dit c’est parce que tu le sais
C’est parce que tu le sais
À toi l’enfant qui vient comme un petit matin
Je t’espère des bonheurs aussi grands que les miens
Demain c’est toi

Deze lente gaat het toch weer
over jou hoewel ik er langzaamaan
wel moe van ben
moe van regen, wind, flarden
bedrieglijk blauw in de lucht
vage beloften van het einde
van de kou.
Ik weet wel dat ik toch weer
van je hou, maar moeizaam soms,
met dat doelloze
van vogels die er van lijken
te houden in regen en wind
te blijven rondhangen
boven het land.
– Rutger Kopland
Uit: Het orgeltje van yesterday

There was a feeling of inevitability when I met you. The sense
that we would be together; that there would be a moment when
you would look at me in a certain way, and we would cross the
threshold from friendship into something much more.
We spoke once about lovers who kept finding each other, no
matter how many times the world came between them. And I
think I had to break your heart, and you had to break mine.
How else could we know the worth of what we were given?
I think you were always meant to know me a little better than
anyone else. And our lives were fated to converge like some
cosmic dance. I know there is a terrible distance between us.
But our bodies are made of celestial light, and we are hurtling
through space and time, toward the most beautiful collision.
– Lang Leav

Er zijn uren
zonder jou. Soms. Misschien. Het is denkbaar.
Er zijn rivieren met oevers vol boterbloemen
zonder jou. Boten met hakkelende motoren, stroomopwaarts,
zonder jou.
Er zijn wegen zonder jou. Zijwegen, ongelukken,
greppels.
Vlinders zonder jou zijn er, en distels. Ontelbare.
Er is mismoedigheid zonder jou. Laksheid. Angstvalligheid.
En er gaat geen uur voorbij,
er is nog geen uur voorbijgegaan.
– Toon Tellegen
uit: Mijn winter, Querido Amsterdam, 1987

Hoe dikwijls stond ik op het punt van breken
en brak ik zonder het zelf te weten
beloften die ik ongemerkt gemaakt heb
door heel vriendelijk onduidelijk te zijn.
Hoe dikwijls stond ik op het punt van weggaan,
maar bleef ik om niemand voor het hoofd te stoten
en heb ik mezelf stilzwijgend opgesloten
achter een plaatselijk angstvallig rookgordijn.
Wijs me waar de toetsen zitten,
dan speel ik iets voor jou
zonder erbij na te denken,
omdat ik van je hou.
Wijs me waar de toetsen zitten
en schuif de hele boel opzij,
dan kan ik eindelijk zeggen
wat ik voor je voel.
Hoe dikwijls stond ik op het punt de waarheid
of wat daarvoor doorgaat te vertellen,
maar hield ik me in, omdat ik bang was
voor de gevolgen van en wat men zeggen zou.
Hoe dikwijls stond ik op het punt te leren,
te leren leven met een gebrek aan zelfvertrouwen,
waardoor ik met iedereen rekening bleef houden
tot ik zelf niet goed meer wist wat ik nou wou.
Wijs me waar de toetsen zitten,
dan speel ik iets voor jou
zonder erbij na te denken,
omdat ik van je hou.
Wijs me waar de toetsen zitten
en schuif de hele boel opzij,
dan kan ik eindelijk zeggen
wat ik voor je voel.
– Herman Van Veen
En alles wat ik dacht
te weten over
wat men ook wel
in een andere wereld
een andere tijd
liefde noemt
blijkt dan toch
niet helemaal
de waarheid
te zijn geweest
maar wat dan nu
zonder dit te weten
te definiëren
hoe dan nu
verder zoeken
proberen te vinden
hoe dan nu?
– Jozefien Scheepers
Uit: Je ruist in mij, 2013

Alleen in bed zie ik ’s avonds alles
wat ik dagelijks mis: je adem
bij mijn oor, je wimpers aan mijn wang,
elk woord waar ik op hoop.
Niets is ooit wat het is.
Jij legt me in de knoop.
– Reine De Pelseneer
Uit: Liever lief, 2009

ik ben je achternagegaan
maar ik vond je niet
de wind was ongenadig, kou
steeg uit de grond omhoog
ik dacht aan sprookjes waarin
wie fouten maakt verandert
in een boom, een steen
maar ik geloofde niet in sprookjes
ik geloofde in seizoenen, in dag
en nacht, in eens en ooit, ooit
zou ik je vinden
er was leegte die gevuld zou worden
wind die luwen zou en straks
de zon, die als een zoeklicht
langs de hellingen zou gaan
– Miriam Van hee
Uit: Achter de bergen, 1996