
Misschien is herfst iemand die
omkijkt, en zegt, het kan nog
even, wat net nog kon. Genieten,
bijvoorbeeld, van de zin, die
steeds meer haar moment moet
kiezen. Je kan er dubbel zo veel
van genieten. Je hoeft niets te
verliezen.
– Tom Dinneweth

Misschien is herfst iemand die
omkijkt, en zegt, het kan nog
even, wat net nog kon. Genieten,
bijvoorbeeld, van de zin, die
steeds meer haar moment moet
kiezen. Je kan er dubbel zo veel
van genieten. Je hoeft niets te
verliezen.
– Tom Dinneweth

Zet het blauw
van de zee
tegen het
blauw van de
hemel veeg
er het wit
van een zeil
in en de
wind steekt op.
– Willem Hussem

regen buigt zich gretig rond
de randen van het huis – het is
maar een geluk dat je hier bent,
bedenk ik me, en niet daar
alsof geluk niet meer is dan
gelukkig maar
en het is simpel, soms,
als in, we hebben het gedaan –
een ruimte gemaakt om in te bestaan
waarin ook een ander past
ineengeplooid, opgevouwen
tegen elkaar aan
het regent en
gelukkig maar
– Tom Dinneweth


Deze lente gaat het toch weer
over jou hoewel ik er langzaamaan
wel moe van ben
moe van regen, wind, flarden
bedrieglijk blauw in de lucht
vage beloften van het einde
van de kou.
Ik weet wel dat ik toch weer
van je hou, maar moeizaam soms,
met dat doelloze
van vogels die er van lijken
te houden in regen en wind
te blijven rondhangen
boven het land.
– Rutger Kopland
Uit: Het orgeltje van yesterday

Ik ben de herfst.
Ik ben de regen.
Ik ben de storm.
Zoek mij maar op,
ik sta in alle gedichten.
Houd mij maar vast,
ik heb het koud en ik ben moe,
en nog zoveel bladeren aan de bomen,
nog zoveel bladeren overal.
– Toon Tellegen
uit: De zin van een liguster, Querido Amsterdam, 1980

De bomen komen uit de grond
en uit hun stam de twijgen.
En iedereen vindt het heel gewoon
dat zij weer bladeren krijgen.
We zien ze vallen naar de grond
en dan opnieuw weer groeien.
Zo heeft de aarde ons geleerd,
dat al wat sterft, zal bloeien.
– Toon Hermans
Voor Joke.
Standing at the crossroads, trying to read the signs
To tell me which way I should go to find the answer,
And all the time I know,
Plant your love and let it grow
Let it grow, let it grow,
Let it blossom, let it flow
In the sun, the rain, the snow,
Love is lovely, let it grow
Looking for a reason to check out of my mind,
Trying hard to get a friend that I can count on,
But there’s nothing left to show,
Plant your love and let it grow
Time is getting shorter and there’s much for you to do
Only ask and you will get what you are needing,
The rest is up to you
Plant your love and let it grow
Let it grow, let it grow,
Let it blossom, let it flow
In the sun, the rain, the snow,
Love is lovely, let it grow
De akeleien komen stilaan piepen, papa. In gedachten zie ik je wijzen en lachen.


je voelde het zweet op je wenkbrauwen
rusten, je keek waar je liep en het leek
alsof de aarde terugkeek, de stenen
de bladeren van vorig jaar wenkten
je eerst en weken dan weer, ze maakten
je dronken, je struikelde maar je bleef
overeind, je leefde gewaarschuwd
en je gedachten zweefden niet langer
maar ze bezonken
tegen een veld violetblauwe bloemen
ze roken naar fresia’s, of nee, seringen
ze roken naar vroeger, je jeugd,
je verlangen, je kende de weg niet
noch de bestemming
deze vreugde niet en deze bloemen
– Miriam Van Hee
Uit: Buitenland, De Bezige Bij (2008)

Iedere nacht
tilt de dode
de grafsteen op
tastend
of zijn naam op de steen
niet is uitgewist.
– Vjatsjelav Koeprijanov

Ik kijk liever naar de maan
dan naar de mens.
De mens,
ik word er zo moe van.
Dat roepende, smekende,
lachende, verlangende,
niet wetende,
willen wetende,
ik hou van jou zeggende,
of denkende,
op schoenen
of op eelt lopende,
van de een naar de ander rennende,
met sieraden en muziek beklede mens.
Ik kijk liever naar de maan
die altijd hetzelfde is:
onverschillig.
trouw.
De maan heeft geen woorden nodig
om te zeggen:
ik ben er
en morgennacht ben ik er weer.
Misschien zit er een wolk voor,
misschien zie je me niet omdat je binnen bent,
omdat je binnen naar je dwaze liedjes ligt te luisteren
of omdat er tranen voor je ogen zitten,
tranen omdat je denkt dat je alleen bent,
maar je bent niet alleen,
want ik ben er,
en gisteren was ik er ook,
en morgen ben ik er weer.
– Tjitske Jansen
Uit Het moest maar eens gaan sneeuwen.
Uitgeverij Podium, 2003

Dit is de toover van dit lichte land,
dat het den indruk laat als lag het ver,
vreemd en onwezenlijk, op een planeet
ouder dan onze aarde, een planeet
in strengen ernst verstild, de eenzaamheid
omgeeft haar als een dampkring. In dit land
zoekt elke lijn de verste verten, keert
zich aan geen afstand, aan geen ruimte of tijd,
gaat maar gestadig in één richting voort
door lichten dag en weer door lichten nacht
en zoo afwiss’lend tot – waar is de grens?
De grenzen schijnen hier gewischt, vervloeid,
niet te bestaan; een andere planeet.
– Augusta Peaux
