En ik wil nooit meer blozen.
En ik wil nooit meer blozen.
Niet dat wij de kar niet in brand staken.
Dat mocht, wij kenden grieks en latijn.
Niet dat wij oud waren, enkel het leven moe,
want wij hadden nog niet geleefd.
Wij wisten wat angst was en paniek,
maar bang waren wij nooit.
Volmaakt waren de dagen waarop de liederlijkheid
der wetten ons nog niet had verslagen
en wij alles wat los en vast zat stalen.
Wij waren het toch die bier uit emmers dronken?
Of is het waar dat wij de eden zijn vergeten,
die op de konten der burgers werden geschreven?
– Eddy van Vliet
Je mag zijn wie je bent
en zoals je bent
met fouten en gebreken,
om te kunnen worden
die je in je aanleg bent,
maar zoals je je nog niet kunt vertonen
en je mag het worden op jouw wijze
en in jouw uur.
– A.A. Terruwe
Woensdagmiddag: eindje joggen.
Drie uur stipt: pianoles.
Langs de bib (m’n boekbespreking);
voetbaltraining: kwart voor zes.
Douchen kan ik wel vergeten;
bakje yoghurt, lekker snel.
Tekenklas om klokslag zeven;
op m’n fiets, dat haal ik wel.
Ben ik thuis zo iets voor tienen;
mams bakt nog een omelet.
Er is niks op televisie; ik ben moe,
ik ga naar bed.
‘k Denk nog net voor ik in slaap val:
morgen toets geschiedenis…
Aan ‘t ontbijt dan maar eens kijken
wat precies de uno is.
– André Sollie
Herkenbaar 🙂
Met mama op de bedrand
wordt de kamer lekker warm.
Ik mag nog even liggen
in de holte van haar arm.
Ze leest me een verhaaltje
over dromen uit een land
waar alle mensen wonen
in een nachtblauw ledikant.
Het einde – moet ik zeggen,
heb ik nog nooit gehoord.
Maar zacht – dat weet ik zeker,
is vast het laatste woord.
– Bart Moeyaert
Men herkent ze van ver en van vroeger: altijd in rep en roer,
Altijd dat vertrouwde rumoer. Of wij het niet te koud hebben
misschien, dat onze jas wat hoger moet geknoopt, dat wij
die slechte vrienden beter kunnen mijden. Et cetera,
et cetera. Zij zijn van overdosissen voorzichtigheid vervuld,
van levenslang et cetera, stupide stuwingen in buik en boezem.
Fluorescente details, eeuwenoud van eenvoud: spermavlekken die zij
stil, met dromerige ogen uit de lakens van hun zonen wassen,
meisjes die zij halsoverkop uit de vrouwen moeten wissen
die zij tussentijds geworden zijn. Het kan in goede moeders
allemachtig sneeuwen, voornamelijk wanneer geen mens
het al verwacht, begin november, zodra de doden victorie kraaien.
Zij geven kleuters sjaals en wollen wanten mee. Bananen.
Iets dappers tegen tranen. En van hun eigen moeders die hun meer
en meer ontglippen, worden zij de laatste moeders. Tot zij
de handen wantrouwen die hen niet langer vasthouden kunnen.
November wordt het niet, november valt. Als avond.
Lucht verplaatst zijn diepste rood in bladeren van beuk en eik.
En wegens alles wat zij niet meer kunnen houden, houdt hij op:
hun wereld vol et cetera, et cetera en totterdood.
– Luuk Gruwez
Herman De Coninck prijs voor het beste gedicht 2009
Jezelf, het besef en meteen ook het lef
dat je dat gewoon kunt hebben en er af
en toe een mening van kunt laten zien
of een borst: hoe vroeg begint dat,
en eindigt dat eigenlijk ooit? Vrouwen
zijn gemaakt van meisjes, steken op hun
veertigste nog altijd hun tong uit van vijftien,
worden almaar even jong,
kunnen niet niet-verleiden. Zoals poëzie:
een poes die voorzichtig over een toets of tien
van een piano is gelopen en omkijkt:
heb je dat gehoord? Heb je me gezien?
O, de meisjesachtigheid van veertigjarige meisjes,
hoe ze soms willen, soms niet,
maar eigenlijk altijd, als je het maar ziet.
waar is de tijd? Hier is de tijd.
– Herman De Coninck
‘Slaap maar,’ zeg ik
tegen een dochter die allang slaapt
en daar wakker van wordt.Het onweert. Misschien wil ik wel
dat zij bang is, dan kan ik vader zijn.
Maar ik kan niets anders dan samen met haar
niets kunnen.
Zoals woorden. De dingen gebeuren.
Zonder woorden zouden ze ook gebeuren.
Maar dan zonder woorden.
– Herman De Coninck