Egidius
Egidius, waer bestu bleven?
Mi lanct na di, gheselle mijn.
Du coors die doot, du liets mi tleven!
Dat was gheselscap goet ende fijn,
Het sceen teen moeste ghestorven sijn.
nu bestu in den troon verheven,
Claerre dan der zonnen scijn:
Alle vruecht es di ghegheven.
Egidius, waer bestu bleven?
Mi lanct na di, gheselle mijn!
Du coors die doot, du liets mi tleven.
Nu bidt vor mi, ic moet nog sneven
Ende in de weerelt liden pijn.
Verware mijn stede di beneven!
Ic moet nog zinghen een liedekijn;
Nochtan moet emmer ghestorven sijn.
Egidius, waer bestu bleven?
Mi lanct na di, gheselle mijn!
Du coors die doot, du liets mi tleven.
– Jan Moritoen
’s Nachts naar huis
Als je bij me bent ben je overbodig
Een derde lichaam
Wat het is
Ik heb je lief
Ick sagh mijn Nimphe…
Ick sagh mijn Nimphe in ’tsuetste van het jaer
In eenen beemdt, geleghen aen de sije
Van eenen hof, alleen’ eerlijck en blije
Neffens een gracht, waer af het water claer
Geboordt met lis, cruydt en bloemen, vuer-waer
Lustigher scheen dan alle schilderije;
Noit man en sagh schoonder tapisserije,
Soo schoon was ’t veldt ghebloeydt soo hier en daer
Als Flora sat sy daer op de bloemen:
Deur heur schoonheydt magh men se Venus noemen,
Om heur verstandt Minerva wijs van sinne:
Diana oock om heur reyn eerlyck wesen:
Boven Juno is sy weert t’sijn gepresen.
T’sindts die tijd aen’queeldt mijn siele om heur minne.
– Jonker Jan van der Noot
de woorden die ik leef
vliegen voorbij
op gouden vleugels
ze zijn niet meer
te stoppen
ik kan ze enkel nog
nakijken
naar wuiven
doe ik al lang
niet meer
– Sarah Janssens
Laat ons met een hand beginnen,
we voegen er een dag aan toe,
een volzin met een naam erin,
die we op slag vergeten, tenzij
het anders gaat en we snel weten
dat we niet voorbijgaand zijn,
de kans is klein, want bij het tellen
van mijn vrienden heb ik altijd
vingers over, en daarom: laat ons
met een hand beginnen,
we voegen er een dag aan toe,
en als het is zoals het meestal is,
gaan we iets galants verzinne,
tot ziens, ik moet eens verder,
het was me een genoegen.
– Bart Moeyaert