neem me mee.
Strakjes, zei je.
We zullen dansen
op de wolken wiegen
in de wind.
Strakjes, zei je.
We zullen vliegen
zweven
hand in hand.
Strakjes, zei je.
Hou je van me?
Strakjes.Zei je.
– Karolien Meuwissen
We zullen dansen
op de wolken wiegen
in de wind.
Strakjes, zei je.
We zullen vliegen
zweven
hand in hand.
Strakjes, zei je.
Hou je van me?
Strakjes.aan wat zich niet laat inpakken
tilt ze het zwaarst: ijle gedachten. Wind
waait ze aan.
Op steeds kleinere schaal wikt ze
wat niet door wil wegen: blijven of
weggaan: hoe ze haar leven een ander
domicilie zou geven, hem onder een vreemde
naam briefjes sturend waar hij de koffie
en de gaskraan vinden kan.
– Koenraad Goudeseune
Later lijkt zo over
te lopen
van jou
soms
lijkt alles
achter de rug
niets moet nog echt
komen
(behalve jij, natuurlijk)
– Werner Storms
dat is mooi, maar mooier nog
de slaap stil over je heen vallend,
mijn woorden nog niet uitgelezen
Het mooist nog de droom ergens
diep in je gesluimerd,
de taal me lief nauwgezet
over je heen uitgekruimeld.
– Rudi Joris
om te zingen
van de dingen
die jij er ziet
– Katleen Duthoo
Een traan loopt langs mijn linkerwang
En huppelt over naar mijn rechter,
Glijdt nog een eind zijn traanpad langs,
Valt in mijn mond als een trechter.
Nu ligt hij ziltig op mijn tong,
Ik ga hem eten,
Het leed waardoor de traan ontstond
Dat is vergeten.
– J.M.W. Scheltema
en jij die dat alles bent, gewoon aan tafel
hier, terwijl je toekijkt en om mijn schrijfsel
vraagt, maar ook of ik naar die lekkende kraan
wil zien, want die stoort zeg je, vooral als
wij straks willen slapen gaan.
– Koenraad Goudeseune
Ik schrijf omdat ik wil schrijven
dat ik gelukkig ben.
Op een dag zal het zover zijn
en zal ik schrijven –
met mijn tong tussen het puntje van mijn tanden,
en met rode oren en rode wangen:
ik ben gelukkig.
Als ik daarna ooit nog twijfel
en meen dat ik verdrietig ben of de wanhoop nabij
of zelfs reddeloos verloren,
kan ik altijd opzoeken wat ik werkelijk ben:
gelukkig.
– Toon Tellegen
Soms worden vaders echt
belangrijk als ze er niet meer
zijn. Hoe langer ze dood zijn,
hoe meer je ze mist.
Ween je verdriet en hou de
tranen als herinneringen bij je.
Ze zullen je levenslang steunen
en bemoedigen.
Wanneer ik morgen doodga,
vertel dan aan de bomen
hoeveel ik van je hield.
Vertel het aan de wind,
die in de bomen klimt
of uit de takken valt,
hoeveel ik van je hield.
Vertel het aan een kind,
dat jong genoeg is om het te begrijpen.
Vertel het aan een dier,
misschien alleen door het aan te kijken.
Vertel het aan de huizen van steen,
vertel het aan de stad,
hoe lief ik je had.
Maar zeg het aan geen mens.
Ze zouden je niet geloven.
Ze zouden niet willen geloven
dat alleen maar een man alleen maar een vrouw
dat een mens een mens zo liefhad
als ik jou.
– Hans Andreus
Jezelf, het besef en meteen ook het lef
dat je dat gewoon kunt hebben en er af
en toe een mening van kunt laten zien
of een borst: hoe vroeg begint dat,
en eindigt dat eigenlijk ooit? Vrouwen
zijn gemaakt van meisjes, steken op hun
veertigste nog altijd hun tong uit van vijftien,
worden almaar even jong,
kunnen niet niet-verleiden. Zoals poëzie:
een poes die voorzichtig over een toets of tien
van een piano is gelopen en omkijkt:
heb je dat gehoord? Heb je me gezien?
O, de meisjesachtigheid van veertigjarige meisjes,
hoe ze soms willen, soms niet,
maar eigenlijk altijd, als je het maar ziet.
waar is de tijd? Hier is de tijd.
– Herman De Coninck