vorm van je lichaam aangenomen.
Mijn hand hangt stil. Een vogel twijfelt
boven het landschap. Ik schuif de gordijnen
dicht en hoop dat alles weer in de plooi valt.
Er hoeft nog altijd niet veel
te gebeuren voor ik aan je denk
iets wat niet op jou lijkt is al genoeg
dan denk ik kijk
dit lijkt echt niet op haar
– Maud Vanhauwaert
Het was groots
hoe jij je lichaam toen
dun tegen me aan drukte
(woorden blijven ver onder
de maat van deze tederheid).
Ik was een tijd mijn naam vergeten
en schrok toen ik hem later
hoorde uit je mond.
Het was alsof
ik met een schok
mezelf weervond.
Nu ik dit ogenblik oproep in woorden
besef ik pas:
Alleen dit is onzegbaar.
– Stefaanvan den Bremt
Liefde is niet het einde. Is geen eten en drinken.
Is geen dak boven het hoofd tegen de regen,
geen reddingsboei voor wie verdrinken.
Liefde is nergens voor en nergens tegen.
Liefde biedt geen uitkomst tegen de dood.
Vult geen lege longen met lucht. Verricht geen wonder,
tenzij dat elke dag al een beetje sterft in mijn schoot.
Je hebt er niets aan, maar je kunt niet zonder.
Het kan best zijn dat ik in de toekomende tijd,
verslagen van pijn en kreunend om respijt,
gesard door armoe en moe van het huilen
jouw liefde voor rust zou verruilen,
of de herinnering aan vannacht voor een kleiner verdriet.
Het kan best zijn. Maar ik geloof het niet.
– Herman de Coninck
Als ik een man was
zou ik wel weten hoe
mij lief te hebben.
Ik zou mijn plotselinge
droefheden een bedding
geven, mijn natte haar
naar achteren strijken,
mijn boodschappenlijstjes
zou ik aanbidden en proberen
te doorgronden.
Ik zou mijn lege flessen
naar de glasbak dragen
en zeggen ‘onze’. Ik zou mij aaien en
met mijn oor op mijn buik
willen horen tot waar
mijn hart harder bonsde.
Ik zou chocola voor mij kopen
en die niet helemaal opeten
maar ook een stukje voor mij bewaren.
Ik zou naar vroeger
vragen en de naam van
de hond van mijn eerste
man’s tweede vrouw zelfs onthouden.
Ik zou mij loslaten zodra
ik los wou en ik zou
mij vertrouwen waar
ik ook heen wou.
Ik zou mij afhalen als ik terugkwam
en dan blij zijn.
Ik zou zelf (als ik die man was)
niet vaak weg zijn, maar
trouw tot in de dood (na honderd jaar) en
van al mijn onderkinnen
de een nog mooier
dan de ander vinden
en heerlijk hoe ik rook.
– Judith Herzberg