Vertraag.
Vertraag.
Vertraag je stap.
Stap trager dan je hartslag vraagt.
Verlangzaam.
Verlangzaam.
Verlangzaam je verlangen
En verdwijn met mate.
Neem niet je tijd
En laat de tijd je nemen-
Laat.
-Leonard Nolens
Vertraag.
Vertraag.
Vertraag je stap.
Stap trager dan je hartslag vraagt.
Verlangzaam.
Verlangzaam.
Verlangzaam je verlangen
En verdwijn met mate.
Neem niet je tijd
En laat de tijd je nemen-
Laat.
-Leonard Nolens
Wat ons onderscheidt van beesten
is dat wij zo snel opgeven.
Eén tik en we vragen smekend
om een onderbreking.
Of we geven forfait.
Het is dat wij altijd weten
van een weg terug, rood
aangelopen en verongelijkt.
Dan liever om het even welk dier.
Een vogel die stopte met vliegen,
zelfs in een kooi, ik heb daar
nooit van gehoord.
– Max Temmerman
won vandaag de Publieksprijs Gedichtendag 2014
Als ik mezelf had mogen scheppen, zou ik minder
fouten hebben gemaakt. Ik liet mij niet zo verdwalen
tussen het gebrekkig zijn en het gebrekkige zijn.
Ik gaf mij broodkruimels om de weg terug
te vinden, al weet ik niet welke weg dat was en waar
die eigenlijk naartoe ging en hoe die heette.
Ik at het brood in plaats van het te strooien; honger
maakt alle wegen eindeloos lang en laat geen tijd voor rust
in de berm, de lucht te zien en daar een vogel thuis.
– Ted van Lieshout
uit: Jij bent mijn mooiste landschap
Het was een prachtige ochtend in het bos. De lijster zat zacht te fluiten in de struik onder de eik en de karper liet het water van de vijver af en toe even rimpelen. Er woei geen wind, de zon scheen langs de takken, liet hier en daar een druppel dauw glinsteren, en langs de rivier leek de grond wel te dampen. Het werd een warme dag, maar het was nog een zachte, heldere ochtend.
De eekhoorn was vroeg opgestaan en snoof de geur van hars en seringen in zich op. Hij liet zijn voeten bungelen in het water van de vijver en vroeg zich af welke dag nog mooier zou kunnen zijn dan deze dag. Een dag met dikke, verse sneeuw? Of een dag met zwarte wolken in de verte, als de zon nog schijnt, en met bliksemschichten zo mooi dat je ze wel zou willenpakken?
Naast hem lag een vel papier. Hij wilde een brief schrijven. Hij wilde eindelijk weer een iemand iets laten weten. Maar hij wist niet wie of wat. Hij pakte zijn pen en schreef:
Beste
Toen legde hij zijn pen weer neer. Hij wilde iedereen wel schrijven: de albatros, de potvis, de buffel, de spitsmuis. Hij wilde iedereen wel feliciteren of uitnodigen of vragen of zij ooit zo’n mooie dag hadden meegemaakt. Maar met wie moest hij beginnen?
Al denkend sloot hij zijn ogen. In zijn gedachten zag hij de woestijn en werd heel warm. Hij zocht de schaduw van een rots op en viel in slaap. Plotseling schrok hij wakker. Er dreef een klein, bijna doorzichtig wolkje langs de zon. Hij wist meteen weer waar hij was en pakte zijn pen. Ik ga de mier schrijven, dacht hij, en het geeft niet wat.
Hij las wat hij geschreven had.
Beste Eekhoorn,
Hij fronste zijn voorhoofd. Beste Eekhoorn? Had hij dat zelf geschreven?
Maar hij wist plotseling wat hij verder schrijven moest.
Je vroeg je af of je ooit zo’n mooie dag hebt meegemaakt. Het antwoord is: nee.
Dag,
jezelf.
Vreemde brief, dacht de eekhoorn. Maar hij stuurde hem toch weg. Met een lichte bries werd de brief even later weer bij hem bezorgd. Vlug maakte hij hem open en las:
Beste Eekhoorn,
Dank je wel voor je brief. Ik wil je alleen nog even laten weten dat er nog veel meer van zulke dagen zijn die je nooit hebt meegemaakt. Ontelbare!
Dag,
jezelf.
De eekhoorn keek naar de lucht, naar de wind, naar de struiken, naar het water, naar zijn pen en naar zijn hand. De lijster zweeg en de karper was in de diepte verdwenen.
Wat een dag, dacht de eekhoorn en deed zijn ogen dicht.
– Uit: ‘Misschien wisten zij alles’ van Toon Tellegen

Alsof je een plek bereikt.
Om je heen kijkt en weet
dat je thuis bent.
Een weiland, vergeten
langs duinen en bosrand,
iemand buigt tussen jou
en een feest -op zoek
naar de wijn, een gezicht
wordt zijn eerste woorden,
wat geschreven werd voor jou
door een nooit gevoelde hand.
Alsof je dit al kende
voor je het zag. Er geweest was
voor je er zou komen.
Zo thuis.
– Kees Spiering
Leve het kleine,
het oneindig niet verder te verkleinen allerkleinste ultrakleine
leve alle mensen die eeuwig denken:
wat zeg ik nú weer,
o mijn god, wat heb ik nú weer gezegd
en leve alle kinderen
en alle grote en kleine vergissingen
en de onmogelijkste aller werelden,
dat onooglijk onoverkomelijk onontbeerlijk wereldje
van jou en mij
lang leve jij!
– Toon Tellegen
Wees altijd dronken. Daar gaat het om: dat is het enige.
Om niet de afschuwelijke last van de Tijd te voelen die je
schouders verbrijzelt en je naar de aarde
toe drukt, moet je je onophoudelijk bedrinken. Maar
waar aan? Aan wijn, aan poëzie, of aan deugdzaamheid, net wat je wilt.
Maar bedrink je.
En als je, een enkele keer, op de traptreden van een paleis,
op het groene gras van een greppel, in de sombere
eenzaamheid van je kamer, wakker wordt, en de dronkenschap is al
verminderd of verdwenen, vraag dan aan de
wind, aan de golf, aan de ster, aan de vogel, aan de klok,
aan alles wat vliedt, aan alles wat zucht, aan alles wat
voortrolt, aan alles wat zingt, aan alles wat spreekt,
vraag dan hoe laat het is; en de wind, de golf, de ster, de vogel,
de klok, zullen je antwoorden: ‘Het is tijd om je te bedrinken! Om niet
de gemartelde slaven van de Tijd te zijn,
bedrink je, bedrink je voortdurend!
Aan wijn, aan poëzie of aan deugdzaamheid, net wat je wilt.
– Charles Baudelaire (vertaling)
Uit: Het spleen van Parijs (1869)
Het wit.
Onhoorbaar is
het wit. Slechts
wat getrippel
van vogelpoten
heel omzichtig
in de bange
stilte van het
wit.
Onhoorbaar ligt
het wit in de
leeggeblazen ochtend.
Ik schrijf er
geen voetstappen
in.
– Roland Jooris
Teder de dag die nog niet wil beginnen,
een tentenkamp van tule en wit linnen
waarin de zon met vlokjes licht beweegt
gelijk een vis met niets dan zilvervinnen.
– Anton van Wilderode
Het is zomer.
De zon gaat onder en alles is bijna mooi.
Mensen roepen elkaar toe:’Wat scheelt het nog?’
‘Niets!’ roepen ze terug. ‘Het scheelt niets!’
Nog nooit was alles zo vrijwel volledig,
zo grenzeloos mooi.
Zij die nu nog waarschuwen voor de werkelijkheid
hebben daar waarlijk geen reden meer voor.
De maan komt op.
Kleine bloedige karkassen drijven langs de horizon
en iemand zegt: ‘Ik kan niet meer.’
(wijst naar zichzelf): ‘Ik, ik kan niet meer.’
(fluistert): ‘Ik.’
– Toon Tellegen
Ik wil het tegenovergestelde van wat ik wil
ernstig is dit
(maar niet precies)
ik wil het tegenovergestelde zeggen
en omgekeerd evenredig weer ontkennen
van wat ik zeg
ik wil het tegenovergestelde denken van wat ik denk
ik wil het tegenovergestelde zijn van wat ik ben
(en ook hebben)
en dus wil ik niet
wil ik liever niet
wil ik het liefst het allerliefste niet
en tegelijk wil ik
(ik ben verdwaald)
-Toon Tellegen
ter gelegenheid van mijn eigenste examens, volop bezig
Alles weten we van vuur: [1] hoe laat de zon opkomt,
[2] ondergaat, [3] hoe warm de wereld ergens is,
[4] wanneer vulkanen dreigen, [5] waarom een vlam
pas als het waait naar naaste buren overslaat, [6]
ongevraagd, [7] altijd hongerig naar hout, natuurlijk
vurenhout in het bijzonder, [8] dat kunstenaars
geen leven leiden zonder rood of zwartgeblakerd
hart, en [9] dat er mensen zijn die amper wijzen
of hup daar staat een man of vrouw in lichterlaaie,
[10] er is ook larie, bijvoorbeeld, rosse meisjes
kussen beter en spaanse pepers koken heter, maar
[11] verder is alles opgemeten, uitgerekend, zelfs
van de hel is vastgesteld hoe fijn de as zal zijn
van iedereen, en daarom juist is het verbazend
dat iemand uit een havenstad nog nooit heeft
stilgestaan bij wat het vuur in vuurtorens betekent:
[12] kom hier, [13] wij willen u in deze stad graag zien
– Bart Moeyaert
ter gelegenheid van de 75ste verjaardag van de Boerentoren
