alle wonderen wachten op dagelijkse sleur
haringen zwemmen de licht in de zee uit
zoeken het blauw tussen de wolken
en iemand die iets zoekt om te slapen
vindt een gedachte
en vlijt zich daarin neer.
– Toon Tellegen
Bestaan kan iedereen.
Er zijn vraagt moed.
En wat de dichter doet
is pleiten voor het een.
Hij wil zijn leven niet
door wekkers laten leiden
of als een hond onthouden
dat hij kan slapen tot
het rinkelt naast zijn oor.
Hij bauwt niet na
wat hij soms uit
een mond hoort vallen
op tram acht, of met
een zwarte kwast over
een smoel geschreven ziet.
Zelf houdt hij niet
van vlekken maken,
maar als het bot moet
stelt hij dingen scherp
zodat het snijdt.
Hij woelt en spit graag,
graaft de scherven
uit de klei, haalt het beste
wat er is naar boven,
ook al weet hij dat er
daardoor naast zijn hart
een stem blijft jeuken,
maar ach zo gaat dat
als de dingen moeilijk
worden en je bereid bent
met een pen van krijt
of kool te schrijven.
Hij is het best geplaatst
om iets over de gum
te zeggen, omdat hij
als geen ander weet
hoe leeg het is als hij
het blad omslaat, hoe snel
de fout, maar ook hoe klein
en hoe verlamd
een hand van angst.
En daarom juist blijft hij
in potlood denken,
want dat is volgens hem
het wezen van er zijn.
– Bart Moeyaert
hoe ik ook probeer het heilig vuur brandend
te houden, de strijd niet op te geven
op tijd en stond aan bomen te schudden
mijn hoofd al eens ergens voor te leggen
toch is tekortschieten de kunst
waarin ik uitblink want er is geen kruid
tegen gewassen, ons kent ons, water
stroomt altijd naar zee en ondertussen
vergeet ik knuffels en schouderklopjes
heb ik vaak maar een half oor te bieden
weet ik zelden iets van waarde te vertellen
en zal ik hoe dan ook deze hele rit verder
moeten uitzitten in dit nooit inwisselbare
lijf en brein: citius, altius, fortius, amen
– Marc Tritsmans
‘Citius, altius, fortius’ (sneller, hoger, sterker) is het olympische motto
Ik word wakker met de zon
en geeuw een wolk weg.
Buiten schreeuwt de stilte
om gezelschap.
Ik kom.
– Frauke Pauwels
Wij zijn gelukkig.
Buren bonken op onze muren:
‘Wij ook! Wij zijn ook gelukkig!’
Voorbijgangers blijven staan,
drukken hun neus tegen ons raam,
roepen:
‘En wij dan… Vlak ons niet uit…!
Alsof wij niet gelukkig zijn!’
lopen peinzend verder,
vragen elkaar:
‘Wij zijn toch gelukkiger dan wie dan ook?
Dat is toch zo?’
Kinderen sluiten zich bij hen aan, dansend,
zingend
maar wij hierbinnen, weggezonken
in het schemerdonker,
wij twee,
wij zijn het gelukkigst.
– Toon Tellegen
Het spijt me.
Die drie woorden!
die zijn geboren uit ontgoocheling
en een zucht van onnadenkendheid
die zijn groot geworden in het naargeestige midden
tussen lief en leed
die door het leven hebben gemarcheerd
één twee één twee,
dromend van een oogopslag
en die ongemerkt van betekenis zijn veranderd,
verbleekt
in het lege aangezicht van onbekenden
hemels en vergeefs
o het spijt me, het spijt me!
– Toon Tellegen
Toen de eerste mensen verhalen begonnen te maken om aan elkaar te vertellen, kwam er een eind aan de Chaos. Taal legde vast wat een enkeling ooit bij toeval ontdekte: dat een stam bleef drijven, dat stenen vuur konden maken. Taal ontwierp de wapens tegen verscheurende dieren. Taal onderscheidde donker van licht en aarde van water. Taal creëerde eenheid en tweestrijd, meesters en slaven. Taal leerde tellen, meten, wegen. Taal vond het wiel uit. Mensen bedachten woorden voor al wat ze konden beheersen en de machten die hun te hoog gingen noemden ze goden.
– Imme Dros
Altijd als je denkt
Dit is het einde
Sta je op de grens
Van wat begint
– Stef Bos
Voorzichtig zilver van de winter lag
gelijk een mal van mist om alle dingen
met zoveel onverwachte wisselingen
van bijna wit naar wit de hele dag.
Ik wilde stil zijn en alleen bedacht
op koningen en herders, hoe zij gingen
(van boven af een aanbegin van zingen)
de lange weg ten einde van de nacht
en zonder vragen of getorste vracht
van ongeledigde herinneringen
gaan in de stoet van de verkorelingen
die enkel moed bezitten en geen macht.
– Anton van Wilderode
Je kunt klimmen zo hoog je wilt
verdwijnen in het hemelsblauw
maar al klom je tot de hemelpoort
het zit niet hoger dan in jou.
– Dimitri van Toren
Ik kan geen postzegels verzamelen
ik kan geen vrouwenfoto’s verzamelen
ik kan geen amourettes kollektioneren
en geen wijsheid
ik kan niets meer
ik kan niets meer
Waarom doof ik de lamp niet
en ga ik niet te bed
Ik wil beproeven
naakt te zijn
bloot wie weet wel gevroren purper
en bleekheid
Is zo niet het gans beginnende begin
Ik wil niets weten
ik wil niet vragen
waarom
ik niet werd een postzegelkollektioneur
Ik zal beginnen mijn debacle te geven
ik zal beginnen mijn failjiet te geven
ik zal mij geven een stuk gereten arme grond
een vertrapte grond
een heidegrond
een bezette stad
Ik wil bloot zijn
en beginnen
– Paul van Ostaijen
Niet dat wij de kar niet in brand staken.
Dat mocht, wij kenden grieks en latijn.
Niet dat wij oud waren, enkel het leven moe,
want wij hadden nog niet geleefd.
Wij wisten wat angst was en paniek,
maar bang waren wij nooit.
Volmaakt waren de dagen waarop de liederlijkheid
der wetten ons nog niet had verslagen
en wij alles wat los en vast zat stalen.
Wij waren het toch die bier uit emmers dronken?
Of is het waar dat wij de eden zijn vergeten,
die op de konten der burgers werden geschreven?
– Eddy van Vliet
er moet een wereld van verloren dingen zijn
waarin een handschoen, inderhaast vergeten,
het aanlegt met een oude krant,
een sjaal, een zakdoek of een kam.
de handschoen mist de hand niet meer,
de zakdoek hoeft geen jammernis,
en zelfs de sjaal taalt niet naar warmte
van kindermeiden en van moeders.
– al wat verloren is, is samenhorig.
maar tederheid die overbodig werd,
het kippevel dat blijven wou,
de eerste natte droom, het domste lief,
het speelgoed van een kind dat stierf.
en doen alsof men alles kan vergeten,
ofschoon men, plompverloren als een mens,
alleen in het heelal moet zijn.
– Luuk Gruwez