
– Voor Margot –

– Voor Margot –

Het meisje tegenover mij heeft haar apparatuur uitgeschakeld
maar de dopjes in haar oren laten zitten. Kort kijkt ze me aan met
een flauwe glimlach alsof ze iets herkent maar direct wendt ze
haar blik af naar buiten. Ze heeft me niet gezien. Ze bevond zich
al op de drempel. Onder haar hals bloeit een blos op als wordt ze
ineens iets gewaar dat er ongezien al enige tijd moet geweest zijn.
Dat kijken zien wordt is niet vanzelfsprekend. Je moet er een blik
voor uitschakelen.
De alomtegenwoordigheid van muziek valt niet meer uit te bannen.
– Piet Gerbrandy

Oké. Het is echt wel oké! De rit verliep vlot, het huisje was relatief snel gevonden en de sleutel nog sneller. Ik maakte me natuurlijk weer eens zorgen om niets.
De eerste nacht verliep wat moeizaam, omdat het huis langs alle kanten kraakt. Het vroeg dus iets meer moeite om op te staan, al verdween dat gevoel meteen als ik de rolluiken opende. De bergen volledig gehuld in een fantastische mist. Snel een koffietje zetten, een dikke trui aan en naar buiten! Geweldig, dit. Ongelooflijk genieten van de stilte om me heen. Ik mis eigenlijk niet echt iemand om dit mee te delen, klinkt dat gek?
De rest van de dag ga ik op trektocht. Een avontuurlijke wandeling van 9 kilometer, dat zal me wel lukken he. Of niet? Ik duw de twijfels weg en vertrek met een rugzak vol praktische dingen en veel goede moed. De eerste kilometers van de wandeling wegen mentaal zwaarder dan ik dacht. “Is 9 km toch niet te veel ineens? En wat als ik mijn voet omsla of iets anders ergs voor heb? Stel dat ik verdwaal!”. Die gedachten sleur ik zo’n drie kilometers mee. En dan sta ik even stil. “Och Jasmien, wat dan nog. Dan los je dat toch gewoon op he.” Het besef dat ik gerust iets meer zelfvertrouwen mag hebben, dringt zich op. Verbazingwekkend genoeg helpt dit besef om me al die negatieve gedachten te doen vergeten. Ik geniet. Even later kruist een marter mijn pad. Wauw, ongelooflijk! Hij (of zij?) kijkt even diep in mijn ogen, maakt een sierlijke sprong en keert achteraf nog even terug als ik achterom kijk. Machtig. Waarschijnlijk had ik dit nooit meegemaakt als er iemand naast me aan het praten was…
Onderweg gebeurt het geregeld dat ik denk verdwaald te zijn. (Deze zinsconstructie beschrijft het gevoel volledig.) De verlossing bij de ontdekking van een nieuwe wegwijzer is met momenten dan ook enorm. “Oké! Still on track!” Ondertussen volg ik nauwgezet mee op de topografische kaart en besef ik dat ook dat me beter afgaat dan verwacht. Het doet me plezier als ik bepaalde zaken herken of goed weet aan te duiden. Klinkt banaal, maar toch geeft het een geweldige kick. Ik weet dan precies toch wel een beetje waar ik mee bezig ben…
Tegen de laatste kilometers aan voel ik wat alleen wandelen betekent, of toch een beetje. Mijn gedachten zijn niet meer gefocust op het vinden van de weg -daarvoor vertrouw ik ondertussen genoeg op mezelf, de kaart en de wegwijzers- maar eerder op andere zaken. Op de geur van de loofbossen en koeien, de buizerd in de lucht en de vele plantjes en insecten onderweg. Dankbaar neem ik foto’s en besef: nu ben ik echt weg van de wereld. Gewoon, in stilte. Zonder alles per se te moeten delen met iemand die naast je wandelt.
Mijn hoofd overloopt daarna ook spontaan even de laatste jaren van mijn leven. Plots overvalt me een droefenis. Maar een gek soort: zo een die al aanvaard is nog voor het zich effectief uit. Ik kan het heel moeilijk anders omschrijven. Het voelde alsof het helemaal oké was om even stil te staan bij mezelf, ook al was ik fysiek nog steeds in beweging. Het klinkt zo cliché, maar ik denk dat ik nu pas de emoties toe kon laten die in de hectische gang van zaken verloren gingen. Het voelde verlossend om te kunnen toegeven dat ik bepaalde mensen mis in mijn leven. Mensen die ik nooit meer zal zien, en mensen die ik wel nog zie maar dan op een andere manier. Dat ik het jammer vind hoe alles gelopen is. Dat het misschien beter anders was geweest, maar dat het nu niet zo is. En dat is ook oké. Beseffen dat ik eigenlijk best wel sterk ben (geweest). Misschien had ik het dus wel nodig om deze grens te verleggen vandaag, zodat ik dit even helemaal zelf kon voelen. Moe, maar enorm voldaan, klop ik de wandelschoenen uit en kruip terug de auto in.
Echt, ik kan het alleen maar aanraden. Waar zijn die wandelbottines ook alweer? Tijd om te gaan.
P.S.: Voor alle duidelijkheid: wandelen in gezelschap is ook leuk he. En alle respect voor de mensen die ellenlange trektochten (alleen) ondernemen. In dat opzicht is die negen km natuurlijk ongelooflijk peanuts. Maar hé, het gaat om het idee en de ervaring.

Morgen is het zo ver: dan vertrek ik voor een weekje alleen weg. Toch niet zo bijzonder, hoor ik je denken. Voor mij is het dat wel. Na jarenlang vakanties met het gezin, daarna met het lief en nog eens daarna met de vriendengroep… Zou ik niet weten hoe het voelt om echt héél de tijd met jezelf te zijn. En kan ik dat eigenlijk wel? Misschien ben ik m’n eigen gezelschap na een dag alweer beu. De vraag blijft ook of ik genoeg zal durven en of ik niet eenzaam raak.
Waarom dan toch? For starters: als ik niet alleen weg ging, dan had ik gewoon géén vakantie. Iedereen heeft drukke agenda’s, reizen moeten lang op voorhand gepland worden en buiten de schoolvakanties om… Niet vanzelfsprekend voor de leerkrachten in de vriendenkring. Daarnaast sprak het idee me eigenlijk wel aan. “Dat moet ik toch kunnen, niet?”Het is ook een goeie leerschool voor het echte Alleen Wonen, wat er stilaan zit aan te komen. Niet echt natuurlijk, want vakanties zijn niet hetzelfde als de dagdagelijkse sleur… Maar toch.
Al die dingen overtuigden me om toch maar de stap te zetten. Niet te ver, maar net ver genoeg. Rustig, maar ook genoeg dingen om te doen in de buurt. Zo gezegd, zo gedaan. Ik trek dus naar Treignes, in de Ardennen. Net tegen de grens met Frankrijk, op twee uur rijden van het thuisfront. Ideaal.
Tot eerder deze week ging het eigenlijk prima. “Tuurlijk kan ik mijn vrouwtje wel staan!”, antwoordde ik steevast als mensen vreemd keken. En óf ze vreemd keken. “Alléén? Hélemaal alléén?!” Nee, daar vonden ze precies maar niets aan. Want wat moet je dan een hele dag doen en met wie deel je dan al die ervaringen? Ah ja bon, met mezelf hé. That’s the point.
Tot vandaag. Nu krijg ik toch ook wel wat schrik. Niet meteen voor de tijd dat ik er ben, wel voor alle mogelijke dingen die fout kunnen gaan. Doemdenken, een van mijn meest gebezigde bezigheden. Het moet zowaar maar eens gebeuren dat ik het huisje niet vind, of de sleutel om dat huisje open te doen. (Die zit volgens de eigenares wel héél erg goed verstopt.) En dan zal er ook wel iets levensnoodzakelijk ontbreken in mijn valies, waarvan iedereen zegt “alez, Jasmien, dat je dat nu vergeten bent”.
Ik ben nog nooit tegelijkertijd zó enthousiast en zó angstig geweest voor één en hetzelfde iets, denk ik. Maar ik heb besloten dat dat juist iets positiefs is. Dat betekent dat ik alweer eens een grens ga verleggen en dat ik er eigenlijk wel zin in heb.
Allright, bring it on!

We zaten neer in de trein
ik hunkerde
naar iemand anders dan mezelf
om mee in de knoop te liggen
verstrengeld, als armen
en vlinderkusjes de eerste nachten.
Jij glimlachte en je zweeg
dat was het eerste wat we
samen deden.
We zaten neer
zoals we gemaakt zijn:
voor elkaar.
– Emanuelle Gernay
Ik geloof zeker dat we allemaal op de een of andere manier beschadigingen oplopen. Hoe zouden we ze niet kunnen oplopen, behalve in een wereld van volmaakte ouders, broers en zussen, buren, lotgenoten? En daarna is er de vraag waar zoveel van afhangt: hoe we op die beschadigingen reageren: of we ze aanvaarden of verdringen, en hoe dat van invloed is op onze betrekkingen met anderen. Sommigen aanvaarden de beschadigingen en proberen ze te verzachten; sommigen proberen hun hele leven andere beschadigden te helpen; en dan zijn er nog degenen die vooral bezig zijn verdere beschadiging van zichzelf te voorkomen, tot elke prijs. En dat zijn degenen die meedogenloos zijn, en degenen voor wie je moet oppassen.
– Uit: Alsof het voorbij is (The Sense of an Ending) van Julian Barnes

Iedere nacht
tilt de dode
de grafsteen op
tastend
of zijn naam op de steen
niet is uitgewist.
– Vjatsjelav Koeprijanov

“Misschien zijn alle draken in onze levens
eigenlijk prinsessen die alleen maar zitten te
wachten op het moment waarop we eindelijk,
mooi en moedig, in actie schieten. Misschien
is datgene waar we bang voor zijn in zijn
blootste essentie iets hulpeloos wat onze
liefde zoekt.”
– Rainer Maria Rilke
Uit: Brieven aan een jonge dichter

Ik kijk liever naar de maan
dan naar de mens.
De mens,
ik word er zo moe van.
Dat roepende, smekende,
lachende, verlangende,
niet wetende,
willen wetende,
ik hou van jou zeggende,
of denkende,
op schoenen
of op eelt lopende,
van de een naar de ander rennende,
met sieraden en muziek beklede mens.
Ik kijk liever naar de maan
die altijd hetzelfde is:
onverschillig.
trouw.
De maan heeft geen woorden nodig
om te zeggen:
ik ben er
en morgennacht ben ik er weer.
Misschien zit er een wolk voor,
misschien zie je me niet omdat je binnen bent,
omdat je binnen naar je dwaze liedjes ligt te luisteren
of omdat er tranen voor je ogen zitten,
tranen omdat je denkt dat je alleen bent,
maar je bent niet alleen,
want ik ben er,
en gisteren was ik er ook,
en morgen ben ik er weer.
– Tjitske Jansen
Uit Het moest maar eens gaan sneeuwen.
Uitgeverij Podium, 2003

Opruimen en zwemmen
dat is alles wat er moet vandaag.
Ik ga geen beroep doen op vriendschap
die hoeft mij niet te zien om er te zijn.
Dat ga ik vandaag geloven.
Dat hoge doel kan ook wel even wachten.
Hoge doelen staan bekend om hun grote geduld.
Ik hoef vandaag niet op een dak te zingen,
geen ongevraagde engel van de stad te zijn.
Ik ga wat aan mijn moeder denken
hoeveel zij houdt van mij.
Dat ga ik vandaag geloven.
Ik weet dat er een hond is
met oren als omgevouwen beukenbladeren
Ik weet dat er een gans is
met een hals als de stam van een oude eik-
in plaats van gaatjes in zijn snavel zat een pluisje.
Ergens ligt een witte pauw op een veld vol madeliefjes.
Ergens bloedt een zon leeg.
ik hoef het niet te zien vandaag.
– Tjitske Jansen
Uit: Het moest maar eens gaan sneeuwen.
Uitgeverij Podium, 2003

Dit is de toover van dit lichte land,
dat het den indruk laat als lag het ver,
vreemd en onwezenlijk, op een planeet
ouder dan onze aarde, een planeet
in strengen ernst verstild, de eenzaamheid
omgeeft haar als een dampkring. In dit land
zoekt elke lijn de verste verten, keert
zich aan geen afstand, aan geen ruimte of tijd,
gaat maar gestadig in één richting voort
door lichten dag en weer door lichten nacht
en zoo afwiss’lend tot – waar is de grens?
De grenzen schijnen hier gewischt, vervloeid,
niet te bestaan; een andere planeet.
– Augusta Peaux

Ik ben nooit meer
naar zijn graf gegaan.
Is dat schande? Nee.
Ik voel het anders aan.
Ik weet zeker
dat ik hem niet vind
op dat kerkhof daar,
in de koude wind.
Maar wel voel ik
zijn aanwezigheid
waar we samen waren
in die oude tijd.
Dikwijls is het
of hij naast me gaat.
Of ‘k hem spreken kan,
vragen kan om raad.
‘k Vind dat hij het
dichtste bij me is,
als ik troost behoef
in mijn droefenis.
Maar is een dag eens
mooi en goed geweest,
juist dán mis ik hem,
mis ik hem het meest.
– Willem Wilmink

De afgelopen weken waren echt een clichématige rollercoaster van emoties. Een ouder verliezen en begraven is onmenselijk moeilijk. Toch waren er ook af en toe enkele lichtpuntjes… Een warme knuffel, een troostend mailtje of gewoon een begrijpende blik. Ik ben enorm verschoten van de massale warmte en vriendschap waarmee we plots omringd werden, zelfs vanuit de meest onverwachte hoeken. Daarom wil ik heel graag dankjewel zeggen, aan jullie allemaal. Echt waar. Bedankt om er ‘gewoon’ voor ons te zijn, voor de knuffels en voor alle troostende woorden op momenten dat die juist heel moeilijk te vinden waren. Dankjewel.
<3
De dingen die voorbij zijn, blijven rustig verderleven,
sereen, omdat ze niet meer zo acuut
en niet meer slechts zo heel heel even
moeten gebeuren van minuut tot minuut.
Zo ging mijn vader, sinds hij stierf
ook in mijn dromen al een paar keer dood, maar trager,
er niet de tijd voor nemend, maar een eeuwigheid,
en leeft hij tóch nog verder, verder en wat vager.
Hij zegt niets meer, hij is een sfeer, mijn vader,
van ouwe woorden, het woord ‘altegader’,
het woord ‘gelaat’ en ‘schoot’ (van ons gezin) en ‘schoon’.
Zo rustig wil ik ook wel sterven, een keer of zes, zeven
in de dromen van mijn zoon.
Tot ik gewoon blijf leven.
– Herman De Coninck

Een blog vol gedichten en woorden. Stuk voor stuk warme en herkenbare teksten die me elk op hun eigen eigen manier raken.
En dan plots die leegte. Afscheid nemen van je eigen vader… Hoe doe je dat? Zelfs ik, fervente verzamelaar van troostende en helende woorden, sta als aan de grond genageld. Er is niets dat nu nog past of juist aanvoelt. Uiteraard exact op het moment dat ik dat warme woordendekentje het meest kan gebruiken.
Dus ja… dan gebeurt het allemaal maar even zonder woorden. En dat is ook oké.
‘Slaap maar,’ zeg ik
tegen een dochter die allang slaapt
en daar wakker van wordt.
Het onweert. Misschien wil ik wel
dat zij bang is, dan kan ik vader zijn.
Maar ik kan niets anders dan samen met haar
niets kunnen.
Zonder woorden zouden ze ook gebeuren.
Maar dan zonder woorden.
Zoals woorden. De dingen gebeuren.
– Herman De Coninck

Wachten tot je komt
is studeren op het afscheid.
Je kunt niet dichterbij
dan door mij heen.
Dan door mij heen.
Ik sta versteld: ik had
nog plaats, een leegte
die nu altijd blijft. Liefde
is verleden tijd voor lief.
– Jan Van Coillie