Voor een dag van morgen
Vertel het aan de huizen van steen,
Maar zeg het aan geen mens.
Voor mijn allerbeste vriendin
Gisteren.
Ze heeft van oorlog en liefde verteld.
Haar stem ritselde
als blaadjes in de wind.
Ik was gisteren bij haar op bezoek.
Iedereen is een mooi boek.
Iedereen leest

Voor de verre prinses
Wij komen nooit meer saam:
De wereld drong zich tussenbeide.
Soms staan wij beiden ’s nachts aan ’t raam,
Maar andre sterren zien we in andre tijden.
Uw land is zo ver van mijn land verwijderd:
Van licht tot verste duisternis—dat ik
Op vleuglen van verlangen rustloos reizend,
U zou begroeten met mijn stervenssnik.
Maar als het waar is dat door grote dromen
Het zwaarst verlangen over wordt gebracht
Tot op de verste ster: dan zal ik komen,
Dan zal ik komen, iedre nacht.
– J. Slauerhoff
Uit: Serenade III
Funeral blues
Prevent the dog from barking with a juicy bone,
Silence the pianos and with muffled drum
Bring out the coffin, let the mourners come.
Let aeroplanes circle moaning overhead
Scribbling on the sky the message He Is Dead,
Put crepe bows round the white necks of the public doves,
Let the traffic policemen wear black cotton gloves.
He was my North, my South, my East and West,
My working week and my Sunday rest,
My noon, my midnight, my talk, my song;
I thought that love would last for ever: I was wrong.
The stars are not wanted now: put out every one;
Pack up the moon and dismantle the sun;
Pour away the ocean and sweep up the wood.
For nothing now can ever come to any good
Wees altijd dronken.
Wees altijd dronken. Daar gaat het om: dat is het enige.
Om niet de afschuwelijke last van de Tijd te voelen die je
schouders verbrijzelt en je naar de aarde
toe drukt, moet je je onophoudelijk bedrinken. Maar
waar aan? Aan wijn, aan poëzie, of aan deugdzaamheid, net wat je wilt.
Maar bedrink je.
En als je, een enkele keer, op de traptreden van een paleis,
op het groene gras van een greppel, in de sombere
eenzaamheid van je kamer, wakker wordt, en de dronkenschap is al
verminderd of verdwenen, vraag dan aan de
wind, aan de golf, aan de ster, aan de vogel, aan de klok,
aan alles wat vliedt, aan alles wat zucht, aan alles wat
voortrolt, aan alles wat zingt, aan alles wat spreekt,
vraag dan hoe laat het is; en de wind, de golf, de ster, de vogel,
de klok, zullen je antwoorden: ‘Het is tijd om je te bedrinken! Om niet
de gemartelde slaven van de Tijd te zijn,
bedrink je, bedrink je voortdurend!
Aan wijn, aan poëzie of aan deugdzaamheid, net wat je wilt.
– Charles Baudelaire (vertaling)
Uit: Het spleen van Parijs (1869)
Het wit.
Onhoorbaar is
het wit. Slechts
wat getrippel
van vogelpoten
heel omzichtig
in de bange
stilte van het
wit.
Onhoorbaar ligt
het wit in de
leeggeblazen ochtend.
Ik schrijf er
geen voetstappen
in.
– Roland Jooris
Te amo como la planta que no florece y lleva
Te amo sin saber cómo, ni cuándo, ni de dónde,
sino así de este modo en que no soy ni eres,
Ik bemin je niet als was je een roos van zout, topaas,
of een pijl van anjers die het vuur voortstuwen.
Ik bemin je zoals men houdt van zekere donkere zaken,
heimelijk, tussen de schaduw en de ziel
het licht van de bloemen leidt, verborgen, in zich,
en dankzij jouw liefde leeft de krappe geur die
uit de aarde stijgt duister in mijn lijf.
Ik bemin je zonder te weten hoe, of wanneer, of waarvan.
Ik bemin je onmiddellijk zonder problemen of trots.
Ik bemin je zo omdat ik het op geen andere manier kan
Behalve op deze wijze die ik niet ben, noch jij,
zo dicht dat je hand op mijn borst de mijne is,
zo dicht dat jouw ogen zich sluiten met mijn droom.
– Pablo Neruda
Teder de dag die nog niet wil beginnen,
een tentenkamp van tule en wit linnen
waarin de zon met vlokjes licht beweegt
gelijk een vis met niets dan zilvervinnen.
– Anton van Wilderode
Het is zomer.
De zon gaat onder en alles is bijna mooi.
Mensen roepen elkaar toe:’Wat scheelt het nog?’
‘Niets!’ roepen ze terug. ‘Het scheelt niets!’
Nog nooit was alles zo vrijwel volledig,
zo grenzeloos mooi.
Zij die nu nog waarschuwen voor de werkelijkheid
hebben daar waarlijk geen reden meer voor.
De maan komt op.
Kleine bloedige karkassen drijven langs de horizon
en iemand zegt: ‘Ik kan niet meer.’
(wijst naar zichzelf): ‘Ik, ik kan niet meer.’
(fluistert): ‘Ik.’
– Toon Tellegen
Meneer Voet
Meneer Voet is nooit thuis. Dat is veel te veel werk.

