Het ergste zijn herinneringen aan geluk. Het zoeken naar één foto haalt je huis overhoop zoals het zoeken naar jezelf jezelf, zoals een glimlach je gezicht.
Je sliep, arm om me heen, zoals bergen een aai van de zee in een baai leggen. Die foto.
Dat wij niet kunnen slapen naast elkaar; onze harten galmen om en om de noodklok. Dat je kleine duimen hebt. Een lief gezicht. Dat we mooi én slecht weer spelen, niet goed weten wat we moeten als we roest en butsen voelen bij elkaar – kwetsuren, zou jij zeggen, en: een gedicht is ook maar een gedicht.
Het zou een vorm van vangen zijn als jij je vangen liet, verlangen zijn als alles nog gebeuren kon, we zijn weer eens te gretig en te laat. Het zou ook zingen kunnen zijn, dan waren we misschien iets minder bang. Precies. Vandaag wil ik een zanger zijn. Niet bang. Alleen jouw zanger zijn.
[…] Deze boeken gaan over het vinden van je eigen kracht, en ik heb ze geschreven omdat ik hier hartgrondig van overtuigd ben: dat jij, lieve lezer, veel sterker bent dan je denkt. Ik hoop dat je die kracht in jezelf vindt. Ik hoop dat je hem zult slijpen, zult gebruiken en voor goede dingen zult inzetten.
In the moments you feel alone and every mountain is too great for all the answers left unknown and convinced it is always too late, There is happiness in this lifetime one day these troubles will fade all your strength is in the skyline no matter how heavy your heart weighs. And some days it seems hope and despair take turns but despite all our sadness the sun always returns.
Before we begin, I’d like to share a story. Once upon a time there was a jellyfish. We’ll call it You. You became lost sometimes You could be a little unsure You tried very hard But sometimes it didn’t feel like enough. I hate to spoil the ending but You is fine You is still here You is going to make it.
Er wordt te weinig sneeuw gemaakt. Soms nog in de film, op een podium. De machines zijn zoek of heel duur, denk ik. Maak ze goedkoop en dan is er nooit gezeur over Witte Kerstmis. Overal en voor iedereen het spinsel van witte vlokken. Tegen het lawaai.
Drinken mensen meer chocolademelk. Worden er weer verhalen verteld. Dat maakt het winters leven draaglijk en het oranje sneeuwlicht helder. Kwezels zullen dansen, rochelpotten houden slijmjurken vast. Ik zie het in mijn kristallen bol. Die zwarte snoet wordt Zwarte Piet. Hij veegt het snot weg met zijn mouw, zonder nostalgie: krijgt er sproeten van.
Ik hul de scharensliep in brokaat zonder tierlantijn. Een tiaar op zijn zigeunerhoofd: krijgt engelenhaar. Het licht in zijn ogen gloeit als in een oude jukebox. De Perzische kat is verliefd op de knarsende viool. De klok staat er stil van, ligt te snorren bij de stoof.
Plop, een sneeuwbal in de nek van de edelman. En plop, eentje op de kont van de bakkersvrouw. Vader en moeder schaatsen niet meer mee. Waar is de orgelman? En waar is mijn slee? Schemerschijn. Een uitgeputte hermelijn. Ik moet de sneeuwmannen reanimeren. Vals ijs pletten en massagraven dempen.
Schud mijn dons leeg van den hogen hemel neer. Nu ben ik leeggeschud. Eindeloos moe. Ik wacht op de markiezin van Orion. Ver weg van de vossenjacht. Kom sneeuw, dek mij toe.
Stelt u zich voor: een zevenjarig meisje, laat ons haar voor de gelegenheid Alexa noemen, ligt in bed.
‘Papa, wat gebeurt als je doodgaat?’ vraagt ze.
Ze heeft haar ouders de afgelopen maanden ruzie horen maken en vandaag hebben ze haar verteld dat ze elk in een ander huis gaan wonen. Mama blijft hier, papa gaat ergens anders heen. Het meisje weet niet goed wat ze daarmee moet, voor haar voelt het alsof haar papa haar zal achterlaten.
‘Papa, wat gebeurt er als je doodgaat?’ vraagt ze nog eens. Voor Alexa’s vader klinkt het als: ’Papa, ga je mij verlaten?’ En hij antwoordt: ‘Ik zal jou nooit verlaten, ik zal nooit weggaan, ik zal jou nooit, nooit nooit achterlaten.’
Het meisje kijkt hem aan met grote ogen. ‘Maar papa, wat gebeurt er dan als je doodgaat?’
En haar vader vertelt haar wat hij gelooft, namelijk dat je als je doodgaat, je je nestelt in het hart van andere mensen, en je door dat te doen nooit echt weggaat. Je blijft voor altijd in de levens van de mensen die je kende. Het meisje veegt met de mouw van haar pyjama in haar oog en slaat haar twee armen om haar vader heen. Alexa’s vader begraaft zijn hoofd in haar kussen en blijft liggen tot de ademhaling van zijn dochter zwaarder wordt. Hij kust haar voorhoofd en sluipt de trap af.
Beneden kijkt hij zijn vrouw aan. Zijn vrouw die weldra niet meer zijn vrouw zal zijn. Hij zegt: ‘we zijn onze kleine meid iets verschuldigd’.
Ze gaan samen aan de tafel zitten, het is een zeldzaam vredig moment in huis. Hij denkt aan Alexa’s grote ogen terwijl ze vraagt wat er gebeurt als we doodgaan. Hij zet de woorden die hij daarnet nog niet vond op muziek die hij ooit geschreven heeft.
Alexa’s moeder tekent er twee engelen bij die samen in een wolk hangen. De ene engel houdt liefdevol de maan in haar handen, de andere de bliksem, want ook die mag er zijn. De tekening voelt aan – net als het liedje dat Alexa’s vader wijselijk Lullaby heeft genoemd – als een warm, geruststellend deken.
Het slaapliedje eindigt als volgt: Welterusten, mijn engeltje Het is tijd nu om te gaan dromen Om te dromen over hoe fantastisch je leven zal zijn Misschien huilt op een dag ook jouw kind, en als je dit lied dan zingt Dan zal er in jouw hart altijd een plaatsje zijn voor mij Op een dag zijn we allemaal tot stof vergaan Maar slaapliedjes blijven bestaan en bestaan
Ik wil je in woorden wikkelen je vangen in metaforen me verstoppen in gaatjes die je blikken in me boren ik wil het licht dat jou draagt langzaam in mijn ogen druppelen langsheen de vezels van je trui naar je lippen huppelen urenlang harp spelen op je wimpers en languit gaan liggen in je zij ik wil de zee horen in je oorschelp en eindelijk kunnen zeggen: je ruist in mij – Bo Vanluchene