Rommelkamer
Wie hier toch woont, die moest zich schamen.
Zijn onderbroek hangt aan de lamp,
een schoolboek slingert langs de ramen,
zijn stoel vol spullen is een ramp.
Zijn regenjas ligt op de schommel,
over de wekker hangt een pet,
zijn hemd ligt in de koekjestrommel,
een hagedis ligt in zijn bed.
Zijn grote sokken langs de muren
verspreiden een onfrisse geur
tot in de huizen van de buren,
zijn broek hangt doelloos aan de deur.
Wie hier toch woont, die moest zich schamen,
niet soms, maar ieder ogenblik.
Wie woont er dan? Ik noem geen namen.
Wie woont er dan? Nou ja. Dus ik.
– Shel Silverstein
Ik baal van jou
Want wil ik geel,
dan wil jij blauw.
En wil ik dit,
dan wil jij dat.
En zeg ik wie,
dan zeg jij wat.
Zeg ik dag,
dan zeg jij nacht.
En ga ik hard,
dan ga jij zacht.
Zeg ik ja,
dan zeg jij nee.
En als ik ga,
ga jij niet mee.
Maar zeg ik: ‘ Schat. ’
Dan zeg jij:
‘ Zei je wat? ‘
– Erik van Os
heel ver in de verte
Nee was een klein woord,
een onbeduidend woord.
Het luisterde naar de grote woorden:
Ja en Wij en Altijd.
Het bestudeerde de kruimels van hun gedachten,
die zij van hun tafel lieten vallen.
Het was geen dom woord.
Op een dag kroop het naar de keuken,
klom op het aanrecht,
greep een mes
en at het op.
(Woorden kunnen dingen eten.)
Het was nog steeds een klein woord,
maar geen onbeduidend woord – dat nooit meer –
en het ging terug naar de kamer,
zat onder de tafel
en luisterde.
– Toon Tellegen
Je t’aime
(doet me een klein beetje denken aan ‘Vijfjarenplan’ van Herman de Coninck)
Voor een raam
Ik sta voor een raam.
Ik zie woorden komen.
Sommige woorden herken ik:
ofschoon, rood, alvorens,
niettegenstaande in zijn wapperende jas,
waarachtigheid, onvolkomen…
Sommige klimmen op elkaars schouders.
‘Wie ben jij?’ roepen ze.
‘Bewolkt,’ roep ik.
‘Zwaar of half?’ vragen ze.
‘Licht,’ zeg ik. ‘Licht bewolkt.’
Ik sla mijn ogen neer.
Ik wou dat ik glinsterend was
of enigszins
of liever nog: desalniettemin.
Het begint te regenen.
Ofschoon kijkt omhoog, haar wangen worden nat.
Wijd en zijd hollen weg.
Duisternis valt.
-Toon Tellegen
dek me toe
ben, geef niet toe aan verzet,
geef me een washand, de beer die ik ken,
wijs me mijn bed, dek met toe,
ruik naar zeep, vertel mij hoe
prinsessen slapen als bij wonder
en verdwijn maar, ga niet te
ver, stop mij onder, dek me toe,
laat mij alleen, strooi in mijn ogen
geen zand, breng geen lied ten
gehore, verzoen mij niet met de nacht,
doe wat ik doe, dek met toe.
– Paul Bogaert
Demain, dès l’aube
Vroegh in den dageraet, de schone gaet ontbinden,
Den Gouden blonden tros, Citroenich van coleur
Gezeten inde Lucht, recht buyten d’achter deur,
Daer groene Wijngaert loof oyt louwen muer beminde.
Dan beven Amoureus de lieffelijckste Winden,
In ’tgheele zijdich hayr, en groeten met een geur
Haer Goddelijck aenschijn, op dat sy deze keur
Behieldt, van dagelijcx haer daer te laten vinden.
Gheluckich is de Kam, verguldt van Elpen been,
Die dese vlechten streelt, dit waerdich synd’ elleen:
Gheluckiger het snoer, dat in haer dicke tuyten
Mijn Ziele mee verbint, en om ’thooft gaet besluyten,
Hoe wel ick ’tliever zie wilt golvich na syn jonst,
Het schoone van natuur passeert doch alle const.
– Gerbrand Adriaenszoon Bredero
Ik móet nog zóveel regelen
ik móet nog even naar Den Haag
en ik móet nog gauw naar Tegelen
ik móet naar dit ik móet naar dat
ik móet naar nieuwe klanten
ik móet naar wie…ik móet naar wat
ik móet naar alle kanten
met al dat ‘moeten’ heeft hij mooi
zijn beste tijd bedorven
ik hoorde gist’ren in het Gooi
dat hij ‘moet’ zijn gestorven
– Toon Hermans
De bloesem wordt de kers.
Het jaar gaat van de zomer
over in de herfst.
De boom begint te kalen.
De vogel verlaat het nest.
En jij, jij wordt groot.
Maar minder vanzelf dan de rest.
– Bas Rompa